Fritz Haber was een joods chemicus die geboren is in Pruisen aan het eind van de 19e eeuw. Vlak voor de eerste wereldoorlog deed hij een grote ontdekking (de Haber-Bosch synthese) waardoor kunstmest geproduceerd kon worden. Om geaccepteerd te worden in wetenschappelijke kring bekeerde hij zich tot het protestantisme. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog stelde hij zich in dienst van zijn land. Hij ontwikkelde het gifgas dat in de loopgraven gebruikt werd. Bij zijn eerste poging in de slag bij Ieper sneuvelden 5000 geallieerden. Na deze succesvolle operatie keerde Haber naar huis terug en vierde feest met vrienden. Zijn vrouw (de eerste vrouwelijke chemicus in Duitsland) was fel gekant tegen het inzetten van de wetenschap voor oorlogsdoeleinden. De ochtend na het feest pleegde zij zelfmoord met het dienstpistool van Fritz. Diezelfde dag nog verlaat Fritz zijn huis en vertrekt naar het oostfront.


Na de oorlog moet Fritz vluchten omdat hij als oorlogsmisdadiger gezocht wordt. In 1920 ontvangt hij echter de Nobelprijs voor de uitvinding van kunstmest. Hij keert terug naar Berlijn. Tussen beide oorlogen is Haber het hoofd van een enorm wetenschappelijk instituut in Berlijn (bestaat nog steeds als het Fritz-Haber-Institut). Hij vindt o.a. een zeer effectief rattenbestrijdingsmiddel uit.


Met de opkomst van Hitler moeten alle joodse wetenschappers verdwijnen. Ondanks het feit dat hij in de Eerste Wereldoorlog voor zijn land heeft ‘gestreden’, moet ook Haber vluchten. Een jaar later sterft hij.


Het rattenbestrijdingsmiddel dat deze joodse geleerde uitvond speelde nog een belangrijke rol in de Tweede Wereldoorlog.